Hoe was het leven als jong meisje in een jappenkamp?

De 93-jarige mevrouw Bouricius vertelt over haar jeugdjaren in Nederlands-Indië en hoe ze in het jappenkamp terecht kwam. Haar moeder overleed toen ze vijf jaar was, waarna ze vijf jaar lang door de bediendes verzorgt werd. Haar vader hertrouwde toen ze tien jaar was. Zijn nieuwe vrouw vond dat zijn verwilderde, door bediendes opgevoede dochters, keurig opgevoed moesten worden. Om het minste ‘vergrijp’ moest ze als straf duizenden strafregels schrijven. Toen de oorlog uitbrak wist haar stiefmoeder haar te beschermen tegen rondzwervende Japanners, die plotseling het huis binnenliepen. Ze vertelt over de lange, snikhete treinreis in geblindeerde treinen naar de jappenkampen.

Ze vertelt over haar dagelijkse taken, die ze als kind moest uitvoeren. Het urenlang in de rij staan voor een klein emmertje water of het op appel staan in de snikhete zon. Het eten wat bestond uit een pollepel glazige blubber met daarin een keiharde maiskorrel, kippenvoer. De ziektes in de kampen, de dagelijkse beslommeringen, de slechte hygiëne en over het stiekeme gedekken: het ruilen van goederen voor eten met de lokale bevolking. Indrukwekkend vertelt ze over de wreedheden van de bezetter en hoe ze zich als kind afsloot in haar eigen wereldje om de verschrikkingen in het jappenkamp te overleven. Na de bevrijding arriveerden ze in een kamp, waar ze haar vader weer ontmoette. Maar zelfs daar waren ze nog niet helemaal veilig. Hoewel ze als klein kind op school geen idee had hoe ze een ijsschots moest tekenen, kwam ze in Nederland aan in de strenge winter van 1946-1947. Op de HBS mocht ze op de verwarming gaan zitten omdat ze het zo verschrikkelijk koud had. Klasgenoten vonden het bijzonder interessant om te zien dat wanneer ze met haar vinger in haar voorhoofd prikte, er lange tijd een diepe put in haar huid bleef staan. Oedeem wat ze had gekregen door de ontberingen in het jappenkamp.